Dag 3 – 21 mei
Na ongeveer 4 uur geslapen te hebben in het kantoor gaat de wekker om half drie. Over een half uur staat de taxi voor de deur om ons naar het treinstation van Ollantaytambo te brengen. Als we de avond ervoor de stad hadden kunnen verlaten dan konden we nu nog even slapen, maar helaas.
Het is leeg in de donkere straten van Cusco. Als we de stad uitrijden komen we langs grote hopen afval. Overal langs de weg liggen vuilniszakken die door straathonden worden omgespit. Af en toe rennen de honden al blaffend achter onze taxi aan. Erg creepy.
Eenmaal buiten de stad komen we op de wegen die tot gisteren geblokkeerd waren. Mijn idee van een wegblokkade was dat mensen de toegang tot de weg werd ontzegd. Het blijkt anders te zijn: over het gehele parcours liggen takken en stenen op de weg. Hier kun je niet rijden. Nu begrijp ik waarom we niet direct de weg op konden nadat het was vrijgegeven: de irrigeerders hebben niets opgeruimd. Over kilometers ligt de weg nog bezaaid met stenen. Onze taxi zig-zagt over schoongemaakte delen van de weg en berm. De stenen in deze schone stukken zijn door automobilisten die hier eerder waren aan de kant gelegd. Dit was voor he
n de enige manier om door te rijden. Hoe verder we de vallei in rijden hoe groter de stenen op de weg lijken te worden. Zo af en toe liggen er rotsblokken die groter zijn dan een meter op de weg. Na twee uur rijden komen we aan op het treinstation van Ollantaytambo.Als de trein in beweging komt begint het langzaam licht te worden. In een kleine twee uur brengt de trein ons naar het dorp Aguas Calientes. Na
ast wandelpaden is de trein de enige manier om naar dit dorp te komen. Hier moet je entreetickets voor, en bustickets naar de archeologische plaats Machu Picchu kopen. Hordes toeristen staan in rij om de bus in te gaan naar de oude Inca-stad. Wij sluiten dus maar aan. Na een busritje van een kwartier over een slingerpad in de bergen staan we voor de poort van Machu Picchu.We gaan door de security check en staan dan aan de rand van de oude Inca-stad. Het mooie van Machu Picchu is dat je overal rustig doorheen kunt lopen. Er zijn maar wei
Toen ik vanochtend in de trein zat zag ik het landschap voor mijn ogen veranderen. Ik zat niet echt meer in de bergen, maar was in de jungle beland. Dit blijkt tijdens de
wandeling naar Intipunku; het is veel warmer dan in Cusco, de planten die er groeien zien er heel anders uit en zo ook de dieren. Overal lopen hagedissen met ons mee, er vliegen grote libelles rond en er kruipen gezellige insecten over het Inca-pad (zoals neushoornkevers en miljoenpoten).Na ander
half uur klimmen en bijna niemand tegen te zijn gekomen zijn we bij de zonnepoort. Van hieruit heb je erg mooi zicht over de stad. Na enkele foto’s genomen te hebben gaan we terug naar Machu Picchu om nu daadwerkelijk door de straatjes en huisjes te lopen. Het is erg mooi, maar ook erg vermoeiend. De Inca-stad ligt op 2,5 km hoogte en op een helling. Je bent dus constant aan het klimmen en klauteren in de junglehitte. Het verbaast me dan ook dat we veel bejaarden tegenkomen die met Nordic Walking-stokken Machu Picchu trotseren. Na goed vijf uur te hebben rondgelopen hebben we dorst en honger. Bij Machu Picchu zelf kost eten en drinken zes à zeven keer de normale prijs, dus gaan we terug naar het dorp Aguas Calientes.Aguas Calientes is met stip het lelijkste plaatsje waar ik ooit geweest ben. Voor aankomst hield Renzo me voor dat deze plaats nog wel wat ruimtelijke ordening nodig had. Hij was er acht jaar geleden geweest en wist zich te herinneren dat het uit enkele ongeplaveide straatjes bestond. Wat kan er veel gebeuren in een paar jaar bleek bij aankomst. Op weg naar het hotel verdwaalden we bijna en datzelfde gebeurde toen we bustickets en entreetickets voor Machu Picchu kochten. Er is heel wat gebouwd.

Het dorp bestaat vanwege het toerisme. Vrijwel iedereen die er woont komt van buiten het dorp en probeert een slaatje uit de populariteit van Machu Picchu te slaan. Hoewel de plaats eigenlijk “Aguas Calientes” heet, wordt hij om commerciële redenen vaak “Machu Picchu Dorp” genoemd. Vanwege de afgelegen ligging zijn toeristen gedwongen om van de faciliteiten van Aguas Calientes gebruik te maken. Zodoende gelden er woekerprijzen.
De straten van Aguas Calientes bestaan voornamelijk uit restaurantjes en hotels. Alles heet Inca-dit of Inca-dat en iedereen gebruikt Machu Picchu als logo. Overal vind je Inca-bouwstijlen, opgeplakt of geschilderd. Het dorpsplein is het ultieme lachertje: je krijgt het gevoel tussen de
decorstukken van een pretpark te lopen, hoewel die authentieker aandoen dan dit plein. Een kerkje van twintig jaar oud is aangekleed met plakstenen met als doel de illusie te wekken dat het er al eeuwen te staat. Er wordt een groot hotel gebouwd waar op dit moment de Inca-plakstenen op worden aangebracht. In het midden staat een standbeeld van een grote indiaan. Aan de zijkanten staan een paar paspoppen met indianenkleding. Veel bespottelijker hadden ze het niet kunnen maken.Ons hotel is een van de oudste gebouwen van het dorp: het staat er al bijna twintig jaar. Het is één van de weinige plekken in het dorp die wél oprecht aandoen. Eigenlijk is het geen standaard hotel, maar een park met huisjes. Na het avondeten in het chique restaurant bij het hotel, val ik na deze lange dag bij een nagloeiend openhaardvuur in slaap.
Dag 4 – 22 mei
’s Ochtends doen we aan een excursie mee. Het hotel biedt een aantal excursies op het eigen hotelterrein aan. Deze zijn alleen toegankelijk voor bezoekers van het hotel. De trein terug naar de bewoonde wereld pakken we pas aan het eind van de middag. De rest van de dag moeten we dus in het “pitoreske” Aguas Calientes doorbrengen. Aangezien we niet graag de hele dag tussen de derderangs eettentjes willen wandelen besluiten we ons voor enkele excursies in te schrijven: allereerst de “Nature Walk”. Rond de huisjes op het terrein groeien allerlei planten. Hiernaast is het grootste deel van het terrein niet ingericht. Het is alsof je door de jungle loopt, ware het niet dat er netjes aangelegde paden zijn.
Onze gids Roberto laat ons de wonderen van de “tuin” van het hotel zien. We beginnen met het spotten van kolibries. Deze snelle agressieve vogeltjes vliegen in grote hoeveelheid rond. Er hangen kokers in de bomen met een zoete vloeistof die de vogels aantrekken. We lopen verder, voorbij de huisjes, naar de moestuin. Roberto legt allerlei eigenaardigheidjes uit over de verschillende kruiden: “Dit is muña, munt uit de Andes, drink hier thee van en je stofwisseling loopt weer vlekkeloos”. Na een klavertje-vier te hebben geproefd (het smaakt overigens erg lekker!) gaan we na de theebranderij. In dit hotel verbouwen ze zelf thee, die ze vervolgens zelf verwerken tot hun eigen thee. Ik had hey al bij het ontbijt geproefd, het was best lekker.We lopen een stuk bos door, zien vreemde vogels, vreemde bomen, een waterval en zijn na twee uur weer terug op het beginpunt. De eerste excursie is afgelopen. We gaan het dorp in om wat te eten om ’s middags mee te doen aan de “Orchids Walk”. De oprichter van het hotelcomplex was verzot op orchideeën en plantte ze overal op het terrein. Hierdoor is op dit terrein de grootste variatie aan orchideeën ter wereld te vinden.
Deze wandeling trekt heel wat meer animo dan de Nature Walk. Als we wat aan de late kant komen aanzetten staan er drie gidsen en 15 bejaarden te wachten. Omdat het hotel waarin we verblijven duur is, trekt het vooral welgestelde toeristen, of oudere mensen die lang gespaard hebben. We worden in drie groepen ingedeeld en krijgen een vergrootglas uitgereikt.Eerst wordt er uitgelegd wat een orchidee nou eigenlijk is, wat de kenmerken zijn en hoe je ze kunt herkennen. “Een orchidee heeft drie kelkbladeren en drie kroonbladeren waarvan er één gemuteerd is”. Goed, nu we deze basiskennis hebben kunnen we op jacht. We lopen tussen de huisjes door om opmerkelijke bloemen te spotten.
Het wordt al snel duidelijk waarom we een vergrootglas hebben meegekregen. Er zijn veel orchideeënsoorten waarvan de bloemen maar enkele millimeters groot zijn. Wie had dat gedacht?
In ieder geval de mensen in onze groep niet. Bij deze Amerikaanse zestigplussers viel de mond open van verbazing: “Oh! Wat klein! Wat mooi! Ik had geen idee!” We lopen verder om nog meer bloemen te zien. Orchideeën die eruit zien als Mickey Mouse, die tegen bomen aangroeien, die ’s nachts stinken naar rotte vis, die hun tong uitsteken, waarbij er 30 bloemetjes aan een stengel groeien. Hoe kleiner de bloemen, hoe groter de verbazing bij de andere toeristen: “Dat is een orchidee? Niet? Echt? Haha, ik had écht geen idee”.We mogen zelfs de speciale orchideeëntuin in, waar je niet zonder begeleiding in mag. We zien er paar felgekleurde mooie bloemen maar vooral veel zonder al te veel kleur. Al die bloemen zijn wel leuk en aardig, maar vooral erg klein en vaak amper te zien. Je ziet pas dat het een orchidee is wanneer je met het vergrootglas de blaadjes telt en analyseert. Misschien moet ik iets ouder zijn om dit écht te waarderen.
Als deze excursie bijna is afgelopen wordt het tóch nog spannend. De gids gebaart ons stil te zijn en duikt terug de orchideeëntuin in. We sluipen haar achterna. Ze maakt een vogelgeluid, loopt zachtjes tussen bomen door en wijst dan. Er zitten drie rotshanen, de nationale vogel van Peru; een rode, een oranje en een bruine. De hele groep probeert de schuwe vogels enthousiast maar stil te spotten. Het is moeilijk ze te fotograferen, ze zitten op grote afstand, verscholen tussen de takken. Ik heb ze in ieder geval gezien! Cool.
Na afloop valt wederom de avond over de vallei. Na nog een korte wandeling door het dorp gaan we naar de trein. Eenmaal in Ollantaytambo worden we opgepikt door een taxi die ons naar Urubamba brengt. Urubamba is een dorp in de Heilige Vallei, waar we aanvankelijk de eerste dagen al naar toe zouden gaan maar dat vanwege de wegblokkade werd uitgesteld. We verbli
Berta, de huishoudster, staat ons bij aankomst al bij het brandend haardvuur op te wachten. We krijgen natte handdoeken uitgereikt, een glas citroengrasthee en een plakje wortelcake terwijl zij in de keuken van de villa aan de slag gaat om ons diner klaar te maken. Dit voelt luxe.
---wordt vervolgd---





